Mijn vriendinnen, mijn koffie

2010
05.17

Ik hang over mijn aanrecht en kijk gebiologeerd naar het oude koffiezetapparaat. Ik tel de druppels die langzaam in de koffiepot vallen en bedenk hoe ik als klein meisje ook altijd gefascineerd was door de omtovering van water naar koffie, zoals bij het toverei van de mini playbackshow van Henny Huisman, je gaat er als jezelf in en komt er als een ander uit. Zo gaat dat ook met koffiezetten, je doet er water in en vijf minuten later heb je koffie, water dusdanig van hoedanigheid verandert dat het niet meer terug te draaien is. Water, dat drupsgewijs in een zak met donkere poeder is gevallen, haar eigen weg heeft moeten vinden langs losse korreltjes, met allen een eigen verhaal, om vervolgens zich weer te voegen bij de andere druppels en dan niet meer water, maar koffie te heten. Met een andere geur, een andere smaak , een andere kleur en een ander effect.

Een vriendinnetje van mij komt de keuken binnen. Ik weet nog goed hoe wij als kleine ukkepukken door het bos liepen met beide een bos bloemen in onze handjes. We kwamen zoveel bloeiende bloemen tegen en gaandeweg bezeten geraakt door hun geuren. We plukten ze,roken eraan, concludeerden dat een paarse hyacint net zo intens ruikt als een roze, dat tulpen eigenlijk maar saai zijn en dat sommige bladeren heel lekker kunnen ruiken. Toen opeens er een woedende vrouw aankwam, hoe we het in ons hoofd haalden deze ‘beeldschone’ bloemen te plukken! Ze zou wel eens naar onze moeders gaan om ons een lesje te leren, waarop Maxime zei: ”Mevrouw, mag ik u een lesje leren, bloemen zijn mooi, maar worden nog mooier als ze ook lekker ruiken, ruik maar!” En terwijl ze dit zei duwde ze die hele bos bloemen in haar gezicht en zetten wij het op een lopen.

Ik kijk naar Maxime en glimlach, waarop ze zegt: “Zo stinkdier, ben je weer een natuurgeiser aan het imiteren, wat een rotte eieren luft!” Ik begin te lachen: “Het was een kleintje, tien minuten geleden en harde stinken niet! Vind je het trouwens gek met die gok van jouw dat je alles ruikt!” En we beginnen te lachen. Maxime, zij heeft me geleerd dat geuren belangrijk zijn, dat het een extra dimensie geeft aan alles. Aan een bloem, een hapje, een herinnering. Aan mijn leven.

Dan komt Anne binnen: “Moet je deze vent zien wat een lekkertje” en ze laat me een foto op haar iPhone zien van een gladjakker eerste klas. Een soort Jort Kelder, maar dan met donker naar achter gekamd haar, een wit pak, zijn overhemd ver open en hij hangt geposeerd nonchalant tegen een mooie oldtimer aan. “Ahh nee, gadver!” roep ik uit. “Wedden dat hij een klein piemeltje heeft en tijdens de seks heel hard aan je tepels zuigt in de veronderstelling dat je dat lekker vindt! Daarbij heeft hij net zo’n mat in z’n nek als op zijn borst aan borsthaar. Nee, sorry!” En ik geef haar haar telefoon terug, ze kijkt me beteuterd aan en zegt dan: “M’n nieuwe, maar ik geloof nu m’n oude scharrel, maar bedankt!” En ze begint te lachen. Oo nee, gênant! Ik probeer het nog te nuanceren, maar zij zet het zelf kracht bij door lachend te vragen: ”Hoe wist je dat trouwens van die tepels?”

Anne, van haar heb ik het fenomeen smaak geleerd, in de brede zin van het woord. Ze proeft en probeert altijd alles en iedereen uit voordat ze haar oordeel velt. Van gefrituurde varkenshuid, een Thaise delicatesse, tot aan oesters. Van verwijfde mannen tot aan vermande wijven. Ze kan wijn drinken alsof het hemel op aarde is en een man de hemel in prijzen alsof ze begeerd is door God himself. Maar dezelfde wijn kan ze wegzetten als slootwater bij een ander gerecht en dezelfde man uitmaken voor Paul de Leeuw, nog geen week later. Smaak, zegt ze altijd, is zo subjectief dat zelfs je eigen mening over iets eens in de zoveel tijd opnieuw getoetst moet worden aangezien elke zeven jaar je zintuiglijke smaak veranderd, om maar niet te spreken van je voorkeurssmaak. En als jij niet, dan de ander wel.

Ik kijk weer naar mijn koffiepot die inmiddels voor meer dan de helft gevuld is en zie in het glas van de pot een rij witte tanden en een paar ogen reflecteren. Zonder me om te draaien zeg ik: “Jambo, ca va bien?” “Tres bien et avec toi?” Ik draai me om “Nzuri, shukrani.” Swahili voor ‘goed, bedankt’. Mébé heeft me wat woordjes geleerd, gewoon voor de leuk. Vijf jaar geleden is ze gevlucht vanuit Congo, dagen heeft ze gelopen, weken gewacht en in de donkere nachten verkracht. Maar ze is hier gekomen, veilig, maar zonder vrienden, zonder familie én, zegt zij altijd, zélfs zonder vijand. Missen voor dat waar je voor gevlucht bent vond zij een van de raarste gewaarwordingen ooit. Ze wilden haar dood, letterlijk haar kop van haar romp op een paal als trofee en hen, de barbaren die iedereen van haar hebben afgenomen, mist zij. Maar het waren de barbaren die haar een gevoel gaven iemand te zijn, een persoon die dusdanig van waarde is, dat het het waard was haar uit de weg te ruimen. En dat liever, dan niemand zijn, genegeerd worden, nee erger, niet gezien worden.

Ik ontmoette Mébé toevallig en ben haar Nederlandse les gaan geven. Elke week. En met haar woordenschat groeide ook onze vriendschap. Zij was het die mij de betekenis van kleur uitlegde. De kleur van de huid. De kleur van een ziel. Dat bloed rood is, maar ieders bloed anders rood. Dat de zon een kleur extra kleur kan geven. Zij leerde mij wat het was kleur te geven aan iemands leven.

Met moeite rochelt het apparaat de laatste druppel water op en valt ook deze na een weg langs de korrels in de pot. Op dat moment komt  Fien binnen met een glas witte wijn in haar ene hand en een fles in haar andere “Hoipipe*hik* loi!” zegt ze vrolijk. “Ouwe drankorgel” zeg ik plagerig “ik dacht dat we nog met de koffie bezig waren” en wijs naar mijn inmiddels bijna gevulde pot. “Ja, hallo, dit is toch een feestje? En daar moet gedronken worden” zegt ze en ze neemt nog een slok. Ze neemt wel vaker slokken. Meerdere. Hele grote. Ze is mijn stapmaatje, met haar heb je de grootste lol. Onsamenhangend filosoferen en concluderen dat we superbreinen zijn, ongecompliceerd flirten en ongegeneerd over seks kletsen. Echt, de leukste avondjes zijn met haar, maar zij haalt het ergste in mij naar boven, ik doe dingen die ik normaal niet zou doen, zeg alles wat op mijn hart ligt. Maar ik heb haar nodig, als een drug. Daarom is ze een vriendin, een hele goede, ze heeft een slechte invloed op me, met een langdurig goed effect.

Mijn vriendinnen, als het toverei van Henny Huisman, ik ging erin en IK kwam eruit. Als aparte koffiekorrels hebben ze mij, een andere geur, smaak, kleur en effect gegeven en met een grote pot sterke, zwarte, lekkere, geurende koffie loop ik tevreden de keuken uit, de kamer in en voeg me, als laatste druppel, bij mijn vriendinnen.

Deel dit bericht!
  • Facebook
  • Hyves
  • Twitter
  • RSS
  • Add to favorites

Jouw antwoord