Het is niet dat ik dit wil, dat ik dit doe omdat ik lui ben of dat het me een goed gevoel geeft, integendeel zelfs! En voor de zoveelste keer trek ik onder veel armgezwaai en gegil mijn sari omhoog en laat ik mijn ontblote been zien. Het domme winkelbediendetje schrikt, gebaart dat ik zo snel mogelijk m’n been weer moet bedekken, drukt me wat munten in m’n hand en wijst me de deur. Ik lach, maar geneer me dood. Ik trek alles weer goed, berg de munten op en loop weg, op naar de volgende winkel, op naar de volgende vernedering. Maarja, ik heb geen keus!
Nee, niet weer! Elke maandag voor lunchtijd komt het, ja ‘het’ bedelen voor geld. Ik moet wel geld geven, want anders gaat ze zich uitkleden en Inshallah wat er dan gebeurd. Het vermaakt zich, het lacht gewoon als het ziet dat ik schrik! Het is vies, mislukt, het is minder dan een dier, minder nog dan mijn ontlasting. Ik wil haar zo snel mogelijk weg hebben uit de winkel voordat ik helemaal geen klanten meer heb. Dus vlug druk ik haar wat munten in de hand en het smerige mislukkelingetje loopt door naar de volgende winkel. Ik moet dit uit eigen zak betalen. Maarja, ik heb geen keus!
Aan het einde van de dag ben ik kapot! Kapot van de warmte, kapot van de ruzies, maar het meeste kapot van de vernedering. Ik heb me moeten uitkleden, mensen hebben mijn lichaam gezien, mijn blote huid, mijn eer. Tot mijn zevende jaar wisten mensen niet eens dat ik anders was, sterker nog, ik wist het zelf niet eens! Hoe moest ik nou weten dat ik de enige was met een vagina én een penis? Ik dacht dat iedereen dat had. Ik was zeven! Ik was pás zeven! Zeven toen mijn vader de andere Hijra’s betaalde om mij mee te nemen, ver weg van mijn vetrouwde dorpje naar de gemeenschap van dit verstootte ‘geslacht’. Zeven en hij betaalde hén.
Vanaf die dag had ik een stempel, alsof het op mijn voorhoofd in mijn huid is gebrand, als een stuk vee gekenmerkt voor de rest van mijn leven. Vanaf die dag zag niemand mij meer als een kind, waarom zou Allah mij dit aandoen?
De dag begon weer vroeg, wassen, ontbijt klaarmaken, bidden, winkel openen. Het was warm, vochtig, ik heb de hele dag gestaan in de winkel, maar bijna niets verkocht. De dagen zijn lang, maar het aantal klanten blijft minimaal. De tijd kruipt voorbij en mijn benen worden met de minuut pijnlijker. Tot mijn zevende had ik een redelijk onbezorgde jeugd, ik speelde in de rijstvelden, ik viste in de rivier en hielp mijn moeder met koken. Ik was zeven! Ik was pás zeven! Zeven toen mijn ouders onverwacht overleden en ik voor mijn oudere broer en luie oom moest zorgen. Zeven en ík zorgde voor hén. Vanaf die dag had ik verantwoordelijkheid, alsof het de normaalste zaak van de wereld was voor een kind van zeven. Vanaf die dag zag niemand mij meer als een kind, waarom zou Allah mij dit aandoen?
Ik weet nog goed de eerste keer dat ik de straat op werd gestuurd door de ‘vader’ van de gemeenschap om ook geld in het laadje te brengen. Eerst was ik blij geweest met de warmte waarmee ik door de andere, was ontvangen. Ze waren lief tegen me, ze zorgden voor elkaar, voor mij. Ik voelde me op mijn gemak. Ergens voelde het alsof ik hier inderdaad hoorde, dat het klopte, dat we familie waren. Maar familie stuurt een kind niet alleen de straat op, familie heeft toch een eer!
Verloren en eenzaam liep ik rond op zoek naar die donkere steeg waar ‘vader’ me over had verteld, op zoek naar een man die Babu Mohazilu heette, met in mijn hoofd de woorden van een andere Hijra ‘doe je ogen dicht en denk aan leuke dingen, dan is het het zo voorbij’.
Ze had gelijk, het was voorbij, inderdaad zo voorbij! Het onbezorgde kind zijn, mijn jeugd, samen met mijn eer en waardigheid uit me gestoten, door een onbekende.
De hele dag had ik mijn best gedaan, ik wilde bewijzen dat ik een goede vrouw kon zijn. Dat ik ook kon koken, dat ik voor een gezin kon zorgen, dat ze trots op me zouden zijn. Mijn broer en oom, de mannen in mijn leven, mijn familie. Maar dat de vrouwen in een familie dit ook moesten doen, dat is me nooit vertelt, familie heeft toch een eer!
Mijn oog was blauw, m’n rug brandde, mijn hoofd bonkte en door mijn onderbuik schoten pijnlijke steken. Dit verdiende ik niet, ik had zo m’n best gedaan. Als een film speelde mijn nog korte, maar onbezorgde, vrije leventje zich af en ik keek ernaar alsof het niet over mij ging. De film eindigde, en zo ook het onbezorgde kind zijn, mijn jeugd, samen met mijn eer en waardigheid uit me gestoten, door mijn familie.
Ik tel m’n geld, zeventig bengaalse taka, net genoeg voor een kommetje rijst en één soort groente. Zoals ik al zei, ik vind het niet leuk om mensen te laten schrikken, ze bang te maken en geld van hen te eisen. Maar zij hebben nog familie en kunnen werken en ik kan niet anders. Ooit heb ik wel in een fabriek gewerkt aan de lopende band, samen met nog honderden kindertjes van mijn leeftijd. We maakten dagen van twaalf a dertien uur en kwamen met bebloede handen thuis. Maar het maakte me niet uit. Hoeveel pijn, hoe moe, verdrietig of eenzaam ik was, ik ging er zelfs met plezier naartoe, ik hoefde namelijk nooit meer letterlijk te buigen voor iemand. Totdat iemand achter mijn geheim kwam en ik op straat stond. Mijn geheim, het taboe, eigenlijk is alles wat met seks te maken heeft taboe hier, maar dit is iets onbegrijpbaars. In India is het iets goddelijks, omdat ik mezelf theoretisch zou kunnen bevruchten, maar hier in Bangladesh ben ik niets. Niets dat iets heeft gemaakt van haar zwakte. Niets dat van haar handicap haar wapen heeft gemaakt, niets die maar iets wilt overleven.
Ik tel de kas en pak zeventig bengaalse taka, net genoeg voar wat rijst en één soort groente. En ik zou tachtig kunnen hebben als die vervloekte hoer niet weer was gekomen. Ik begrijp niet waarom het niet gewoon gaat werken. Desnoods in een fabriek aan de lopende band, zwaar, maar in ieder geval beter dan jatten. Daarbij is alles beter dan op straat leven en van de vuilnisbelt eten. Ik kan het weten.
Die geuren van verrotte groenten, vechten met zwerfhonden om vlees bezaait met maden en dit op de vuilnisbelt dat voor vele mensen als openbaar toilet wordt gezien. Ik moest wel, ik kon niet anders. Terug naar huis nooit meer, dat wist ik wel. Ik had niets, niets meer behalve mijn trots. En dat was mijn kracht, niets, maar iets om te overleven.
Het is weer dag, het is warm, vochtig en ik probeer de dikke vieze lucht in te ademen. Ik heb het benauwd, want ik moet weer. Ik wil niet, ik wil weg en ik verlang naar de jaren in mijn dorpje. Met lood in mijn schoenen loop ik de winkel binnen en glimlach naar het domme meisje. Ze schrikt en kijkt bang, zonder dat ik iets doe pakt ze geld uit de kas en geeft het me. Gek genoeg voelt het goed. Een gevoel van trots lijkt als door een infuus in mijn aderen gespoten en geeft een tintelend gevoel door mijn hele lichaam, ik lijk wel respect van haar te krijgen. Het is een gevoel dat ik niet ken, maar doet me goed. Ze glimlacht naar me! Als zij eens wist wat dit voor mij betekent. De eerste waarvan ik echt respect krijg!
Het is weer dag, het is warm, vochtig en ik probeer de dikke vieze lucht in te ademen. Ik heb het benauwd, want vandaag komt het weer. Ik wil niet, ik wil dat het weggaat en ik verlang naar de jaren in mijn dorpje. Het komt de winkel binnen en lacht naar me. Ik schrik, ben bang, maar het doet niets. Het laat haar kleren aan en is stil. Ik pak geld uit de kas en geef het. Het is een gek gevoel, ik ben nooit echt bang geweest, maar voor het ben ik echt bang. Een koude rilling loopt over mijn rug. Met man en macht knijp ik er een klein glimlachje uit, als het eens wist hoe slecht dit voelt. De eerste waarvoor ik echt bang ben!
Voor meer informatie over deze bijzondere mensen met een dubbel geslacht, de Hijra’s, kijk op:
http://en.wikipedia.org/wiki/Hijra_(South_Asia)
