Geluk

2010
05.17

Een kreupel vrouwtje komt naar me toe gestrompeld, al leunend op een houten stok, met haar dunne, gerimpelde hand als een kommetje voor zich uit gestrekt. Ze heeft ingevallen wangen en haar rood doorlopen ogen liggen diep in haar oogkassen. Ze ziet eruit als een zombie uit de clip ‘Thriller’ van Michael Jackson, maar het is midden op de dag en nergens is iets te vinden dat me vertelt dat ik op een filmset ben. Zij leeft en komt recht op me af.

Ik zit in een riksja, een fiets met een bakje erachter, en wordt gefietst door een dun mannetje die me net heeft verteld dat hij drie kinderen heeft en nog geen twee euro per dag verdient, waar hij ook nog een euro van moet afstaan voor de huur van zijn fiets. Hoe je het ook wendt of keert, mij oplichten, medelijden wekken, hulp vragen, het boeit me niet wat deze vent probeert. Ik wil dat hij me afzet, letterlijk op de plaats van bestemming en dan laat ik me ook gelijk maar een beetje afzetten.

Maar vooralsnog ben ik niet waar ik moet zijn en sta ik stil voor een stoplicht met een zombievrouwtje die mij in haar vizier houdt als een scherpschutter zijn slachtoffer. Het vrouwtje maakt kleine aalmoesgeluidjes en is bijna bij mijn karretje. Het heeft haar heel wat energie gekost en ze hoeft nog maar een paar meter, maar dan ineens, uit het niets, komen er drie kleine kindertjes aangerend. Ze springen rond mijn riksja en duwen het oude vrouwtje opzij. Met haar laatste krachten probeert ze overeind te blijven, maar zelfs die anderhalve kilo die ze weegt, houdt ze niet en ze valt op de grond. Verslagen blijft ze liggen en ze kijkt me smekend aan. Mijn eerste reactie is boos worden op de kinderen en vanuit mijn karretje probeer ik hen de les te lezen. Maar al snel besef ik hoe stom dit moet zijn. Hen de les lezen heeft waarschijnlijk nog nooit iemand gedaan, laat staan in een mengelmoes van Engels, Nederlands en Bengaals en dat door een blank meisje vanuit een riksja. Daarbij zie ik ineens dat de kindertjes op blote voeten lopen, ze hebben kapotte kleren en dikke buikjes, en echt niet omdat ze net een feestmaal achter hun kiezen hebben. Ze trekken aan mijn shirt, aaien over mijn hand en gebaren dat ze eten willen. Heb ik weer: drie gedrogeerde, uitgehongerde zwerfkinderen en een oude zombie op de grond.

Ik duw ze opzij, stap af en gebaar dat ze me moeten helpen met de vrouw. Niet omdat ik het niet alleen had gekund, maar – hoe dom misschien gedacht- je weet nooit of het ze een beetje maatschappelijk besef bijbrengt. Dus met z’n viertjes tillen we de vrouw op en brengen haar naar een stoepje. De vrouw zit nog niet of houdt weer haar hand op, ze wil geld. En ook de kindertjes blijven om me heen draaien als een bedelende hond in de keuken. Voorbijgangers blijven staan om dit tafereel eens uitgebreid te aanschouwen. Langzaam wordt het drukker om me heen en ook van de andere hoeken van de straat komen bedelaars als bijen op honing. Er wordt geschreeuwd, gebedeld, gelachen, gehuild. Mensen trekken aan mijn shirt, aan m’n tas en aan m’n arm. Mensen duwen elkaar opzij om te zien wat er gebeurd en proberen onder en over elkaar heen te kijken. Het is één grote chaos.

Ik bedenk dat ik me maar rustig moet houden en moet wachten tot de storm over is, dus ga op de grond zitten naast het vrouwtje. In mijn beste Bangla vraag ik de vrouw hoe ze heet, hoe oud ze is en of ze kinderen heeft. Ook de vrouw laat alle commotie links liggen en laat haar hand zakken. Ze is 62, vertelt ze. Helemaal niet zo oud dus, maar hier je moet ongeveer hetzelfde principe toepassen als we doen bij honden, 1 jaar hier, telt voor 2 Nederlandse jaren en dus is ze 124. Ze heeft geen kinderen meer, die zijn overleden door water, ik vul in ‘een overstroming’. En ze heet Shajina.

Dan begin ik te vertellen hoe ik heet, hoe oud ik ben en waar ik vandaan kom. Ik sluit de kennismakingsronde af met dat ik geen kinderen heb en tot mijn verbazing merk ik dat de kindertjes en andere omstanders ook zijn gaan zitten, de storm is gaan liggen, nouja zitten. Allen luisteren ze naar wat ik vertel en reageren verbaasd dat ik op m’n vijfentwintigste nog geen kinderen heb.

Opeens begint een bedelaarstertje te vertellen, Anarkoli, 10. En nog één, Rina, 9. Nog één, Rubel, 12. Feroz 7, Munni 12, Sumi 17, haar kindje Anis 2 maanden.  Allen jonger tot veel jonger dan ik en ze leven stuk voor stuk op straat. Als ratten worden ze verjaagd en als honden zoeken ze op vuilnisbelten naar eten. Ik bedenk hoe hun leven zal zijn geweest tot nu en hoe hun toekomst zal zijn. Het liefst wil ik huilen, hen allemaal meenemen, wassen, eten geven, knuffelen, zeggen dat het goed komt.  Ik kijk hen aan, hun blikken zijn wazig en leeg. En met het aanblik van hen bedenk ik  dat zij waarschijnlijk geen blik meer willen werpen op het verleden en  geen blik kunnen werpen op de toekomst, alles wat ze hebben is dit ogenblik. En ik kan niets, niets anders dan dit ogenblik zo aangenaam mogelijk maken.  Dus ik sta op en koop voor alle kindertjes en mevrouw zombie een grote ananas, een mango, een tros banaantjes, een fles water, broodjes en een kippenpoot.

Ik draai me nog even om en zie iedereen tevreden met hun buit weglopen. Ieder een andere kant op. Nu is het ook mijn beurt om weg te lopen, mijn kant op, met wel een blik op de toekomst. Een blik op de toekomst en een aangenaam gevoel dat blijkbaar ook kan voortkomen uit het besef van andermans ellende: een gevoel van geluk.

Deel dit bericht!
  • Facebook
  • Hyves
  • Twitter
  • RSS
  • Add to favorites

Jouw antwoord