P-U-D-D-I-N-G, P-U-D-D-I-N-G, IJSSSSSSSSSSS, langzaam verspreidt de rook zich over het perron en met de rook ook de mensen uit de net binnengekomen trein. Serieus een soort film dat zich meer dan 100 jaar geleden afspeelt , want uit een afgeladen trein stappen honderden mensen met tassen, manden , dieren, kinderen, koffers, balen groene bladeren en gevulde jutte zakken. Iedereen loopt haastig heen en weer en door elkaar heen en na tien minuten zit ik (en met mij weet ik veel hoeveel mensen nog meer) in de trein. Ik kijk naar het perron en zie dat deze weer rustig en verlaten is, op de conducteur, een blinde , een oude en een manke bedelaar na.
Er is me aangeraden eerste klas te reizen, want ze zijn niet echt gewend aan reizende blanke mensen en al helemaal niet als ze vrouw en nog erger, alleen zijn. Dus ik zit in een coupe voor zes personen, heerlijk aan een open raampje, grote banken en met een jongen en een meisje van ongeveer 16 a 18 jaar tegenover me.
“Hi, where’re you going?”
“Parbatipur, and you?”
“Were’re going to…” en ze noemen een naam die niet uit te spreken is, laat staan te onthouden is.
“Ooo, okay! Are you brother and sister or married?” (want wat anders dan dit van een jongen en een meisje samen op die leeftijd moet ik verwachten?)
“No, she’s my girlfriend” zegt de jongen vol trots en ze kijken elkaar verliefd aan. Yes! Weg met mijn vooroordeel!
De trein staat nog stil op het station en ik kijk uit het raam. Er zitten twee jongetjes van niet ouder dan tien op de treinrails. Ze dragen allebei een vies broekje en maar één heeft een t shirt aan. Verder zijn ze op blote voeten en zijn ze besmeurd met zwarte olie en ze hebben strepen in hun gezicht alsof ze met houtskool hebben gespeeld. Ze zitten naast elkaar te kletsen en delen een flesje water. Ik kijk ze aan, zij mij en de conducteur fluit voor vertrek.
“Allah-hafez” (doei) zeg ik tegen de jongetjes.
“Na” (nee) zeggen zij en maken me met gebaren duidelijk dat ze meegaan.
De trein toetert en begint langzaam op gang te komen en de jongetjes staan rustig op. Ze lopen een stukje naar voren, de trein begint nu echt te rijden en de jongetjes rennen naast de trein, en ineens nemen ze een ‘jump’ en hangen ze aan een laddertje aan de zijkant van de trein. Ik hang ook aan de zijkant van de trein, maar dan alleen met mijn hoofd en mijn kont veilig op de bank ín de trein. Maar deze jongetjes hangen aan de ladder, aan de zijkant, zonder enige zekering! Ik kijk ernaar en ben bang dat ze vallen, maar dan besef ik dat deze arme straatjochies in het ‘normale’ leven ook aan de zijkant hangen, ook zonder enige zekering! En daar weten ze zich ook te redden, dus ze zullen echt niet zo stom zijn om los te laten! En terwijl ik dit bedenk klimmen ze behendig het dak op en verdwijnen ze uit mijn zicht, net als mijn inmiddels vertrouwde Dhaka.
-wordt vervolgd-
